Tuesday, February 3, 2009

JAN JACOB SLAUERHOFF (1898-1936)



Het boegbeeld: de ziel


Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
Mijn zegetocht over knielende golven
Aan 't schip te moeten danken dat mij droeg.

Wel leef ik 't zwerven liever dan het vaster
Landlijk geluk, dat wortelt als een boom
In ιιn trouw, voor ιιn einder; mijn driemaster
Draagt me in de drift van iedren wereldstroom.

Liefkoozingen van alle golven schuimen
Over mijn borst en bevlekken mij niet.
Volgende reinigen van voorge, zij ontruimen
Mij snel, mijn vreugd blijft vrij van hun verdriet.

Ik zal nooit van een houden, zij zijn alle
Even witwoedend, even snel weer grijs.
Ik lok, zij streelen, laat ze los, zij vallen
In met het koor, dat sterft achter mijn reis.

Geen vrouw leed liefde zoo gelijk bewogen
In drift, als ik de zee: zijn ademtocht
Houdt mij beurtlings bukkend en opgetogen,
Geen man heeft machtiger zijn bruid bezocht.

Uit zoo groot omhelzen zoo zuiver zelf
Behield geen vrouw; over zijn diepte zwevend
Bleef mijn beeld in zijn borst begrensd en bevend.
Ik overleefde hem - tot des einders gewelf.

Geen bruid huwt met haar vorst gebied als ik
Met 't schip, dat mij meetroont, vorstelijk vrijgevig...
Mααr 'k leef ook zeer bekrompen, onderhevig
Aan koers en vrachtvaart van de onvrije brik.

'k Lig met mijn romp in 't vuile dok verankerd
En duld de lading van smaadlijke vracht;
't Gelaat vertrokken, 't verre lijf verkracht
Voelt gevangen vrouw zich weerloos bezwangerd.

En houd ik mij hardnekkig in extase
Bσven gesternten, diep in zee gezonken,
Dan hoor 'k 't aanklevend schuim der aarde razen:
Vlak achter mij liggen matrozen dronken.

Zoo dronk ik schoon en schande in ιιn teug.
Stijgt mij de roes der reine hemeldriften,
Dan werkt besef van laag bestaan als gift en
Proef ik zoo wrang dat 'k niet voor engel deug.

Dit zal het eind zijn: op een slordige helling
Van 't schurftig schip te worden afgesloopt.
Ik zal stom smeken om een nieuwe stelling,
Laf, als een hoer die zich voor 't laatst verkoopt.

Men nagelt mij misschien als laatste gunst
Nog op de stompheid van een oude kof.
Wij passen bij elkaar: zijn molmge vunst'
En mijn geschonden schoon, verfloos en dof!

Dan weer berouw 'k, naakt in mijn schaamle schaamte
Dat ik niet eer, als waardloos wrakhout stierf:
Liever nog lang met een roestig geraamte
Over 't geluksgebied van vroeger zwierf

Bespottingen van alle golven botsen
Tegen mij op. Mijn leed wordt staag verbrijzeld.
Zij schenden mij, als scherpkantige schotsen
Van vroegre liefde het onmeetlijk ijsveld.

Wie leed zoo fel, zoo laf, voordat hij stierf;
Met zooveel smaad gekroond, zoo laag gekruisigd
Over 't weleer bekoord gebied? Wie zwierf
Zoo lang rampzalig, voor hoogst Heil ' vooruitzicht

Van mijn wanhoop: dat na dit overwintren
Voorbij mijn dood eenmaal een storm, een hoos
Mij zal vernietigen, zoo vormeloos,
Dat 'k mij niet meer herinner in mijn splintren?



Catastrophe



Hun vijver werd moeras,
Rust werd gevaar,
En nimfen zonken
Zwaar toen zij niet
Meer zwemmen konden.

Het bleekgroen riet
Week, door zwart poelgewas
Verstikt en overwoekerd,
Van de verwischte oevren.

Toen enklen bovendreven,
Gezwollen als verworgden,
De haren los,
Doken die overleefden
Dieper in 't bosch.

Maar steeds naar de ramp getrokken,
Zagen zij andere dooden
Die niet verdronken:
Zij die niet vloden,

Liggend in 't slib, de voeten
Domplend in drabbig water,
Een prooi voor iedren sater,
Wiens bronst hen komt bezoeken.



Onderzeesch bosch



Onderzeesch bosch staat flauw en breed te golven.
Van onder, op gezwollen blauwe kolven:
Geknotste hoofden van een reuzenhorde
Gezonken en gebleven in slagorde,
Zoekt woekrend roodwier voedingsbron en stoeling.

Dodemansharen houden onbeholpen voeling,
In alle richtingen slijmdraden spillend.
Een zwaardvisch vaart er hevig tusschendoor,
Verdwijnt in 't diep van 't bosch, verscheurd voorttrillend.

Een donkre wolk zinkt in, schaduwend eerst, steeds vaster
Van omtrek: een gekantelde driemaster
Strijkt op de weke toppen van het bosch
Scheef neer. Tuig, zeilen vallen; luiken laten los.
Onder lijkwaden, zware deksels komen bloot
Lichamen, blank en nog verwonderd van den dood.

Laagstaande plantengroei en 't klompgediert
Dat in de holen van de diepzee tiert,
Vreet aan met gulzige slingers, snel ontspruitend,
Met meterlang-gelede vingers vast omsluitend.




Het doodeneiland


Geen ankerplaats, geen monding van een beek.
De sloep bleef steken in een modderkreek.

De bosschen dorren, leven op vergane
Uit eigen vroeger loof gevallen blaren.

Hun takken storten afgestorven boomen
In beddingen van uitgedroogde stroomen,

Waar de oevers uit gebleekte beendren steken,
Die bij een windvlaag (of bij 't langsgaan) breken.

Wind gaat lijkkleurig van het zerkenstof,
Kan niet van 't eiland af, een doodenhof,

Dat diep den bodem van de zee doortrekt
En deze ver-om aandoet met bederf.

Aasvogels blijven mijlen uit de kust;
Alleen de albatros, die enkel rust

Op raas van schepen, varend naar hun schipbreuk,
Strijkt neer en krijscht, zijn doodsroep maakt geen inbreuk.



Voorwereldlijk landschap



Door 't slikmeer breken smalle steenkoollagen
Als zwart ijs, bovenop met asch beslagen.
Het glanst op versche breuken en verbrokkelt snel.
Verre springbronnen sissen hoog en fel,
Het dieptegas welt op, dampbellen bersten.
Een mastodont, verdwaald in 't grondig land,
Plonst door een zware laan moerascypressen,
Zakt af in 't dras, opstekend slurf en tanden:
Twee spitse blaren bij een kronkelende plant.
Zaagtandige bekken gapen uit het drab.
Over schubstammen beent een monsterkrab.
Boomvarens groeien sterk op lage randen.
De zon staat groot en vaag, een ronde damp, te branden.



De ochtendzon


De flamboyants ontluiken groen en rood;
Onder hun lommer zal de markt beginnen.
Wijdbeens gaand, balanceeren negerinnen
De vruchten op haar hoofd en van haar schoot.

In het goedkoop hotel van Boabdil
Blijven de blinden dicht, de gangen stil;
Alleen een boy gluurt door de gescheurde deuren,
Maar ziet - het is te vroeg - nog niets gebeuren.

Eindlijk, aan 't hoogste raam rekt zich, nog loom en
Voor veertien jaar en een creoolsche, groot,
Dolores, in 't halfdonker, schouderbloot,
En doet haar haren in den ochtend stroomen.



De dooden en de kinderen



Kom vaak bij ons. Jij die begint te leven
Verstaat ons 't best en bent het dichtste bij.
Een kerkhof vind je, evenals een wei,
Een plaats goed om te draven en te spelen.

Je praat met dingen die geen antwoord geven,
Die enkel lachen, stil, lang, als de zon,
Er schaduwen als glimlachen doen zweven.
Ook grauwe stenen in een dartle bron

Zijn oude watermannen van heel vroeger;
Zij moeten stilstaan en zij lachen goedig
Als je, schoenen en kousen in de hand,
Over hun hoofden springt naar de overkant

Om toovenaars te zoeken in het woud.
Je gaat stil zitten op een dooden boom.
Wilt blijven kijken, maar slaap maakt je loom.
Dan komen wij en worden even oud.



De schalmei


Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter.
Behalve Wanjka die Iwan heette.

Allen konden werken:
Eιn was geitenhoeder,
Eιn vlocht sandalen,
Eιn zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.

Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.

"O, mij lieve
Mijn lustige,
Laat mij spelen.
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei."



Scheppingsverhaal


Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar

In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.

De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een leege wereld, waar
Ze bleven zooals ze er heen geworpen.

De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De groote steden en de kleine dorpen



Kindervrage



In den hemel staan de sterren
Als de kudden in de verre
Somber overwolkte heide,
Waar zij grazend zich verspreiden
Voor 't verschiet.

Hoe komt het dat zij niet verdwalen?
Wel is Maan een strenge herder,
Maar de hond die ze, als ze verder
Gaan dan mag, terug moet halen,
Is er niet.

Waarom gaan ze dan niet zoeken
Uit den hemel, in de hoeken
Van 't heelal, wat zich daarachter
Mag verschuilen, waar geen wachter
Hun verbiedt?

Waarom zijn ze bang gehoorzaam,
blijven ze in kudde' er voor staan?
Als de maan met loome stralen
Hen toch wel niet in kan halen,
Waarom gaan ze niet dwalen,
Waarom niet?



Voor de verre prinses


Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door groote droomen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedren nacht.



Avond


Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armelijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zoo zeggend:"Ook de grootste liefde kan niet tegen
Den dood die niets ontziet en alles slecht."



De voorpost


Mijn belegerd leven lijkt soms een voorloopige
Vestiging voor een toekomstig rijk;
Ik moet het houden, doe vaak wanhopige
Pogingen om ontijdig op te breken,
Als ik lijd aan 't heimwee naar de zalige streken
Die ik verdedig en zelf nooit bereik.



Woninglooze



Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vσσr den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.



Het einde


Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond.
Van ouder op kind.

Maar 't speeltuig ligt in 't stof geworpen
En hij die ze er aan ontlokte
Is nu een afgestompte, verstokte
Dronkaard geworden in de laatste dorpen.

Nog zweven liedren op den wind ...



De profundis



Waar de zee zwart wordt van diepte, en wrakken
Niet verder zinken - vaste sterren worden
Over der onderwereld plantenhorden
Die plomp als rotsen kiemen, noch vertakken,

Wacht - onder wijd en angstig ledig zwijgen,
Als dood diep in een geest die zich niet kent,
En drukt een stilt', nooit opgeheven dreigen
Der laatste rampen, steeds weer afgewend,

De drenkelingen, die zijn afgedaald.
Zij merken helsch herleefd dat zij niet mogen
Vergaan, maar eeuwig met gesperde oogen
Een nacht inzien, die opklaart noch vervaalt.




Camões' thuiskomst


Geluk, te lang gehoopt, wendt steeds in leed.
Toen wij 't eerst landmerk: Cintra's heuvels zagen,
Werd Heitor ook naar 't achterdek gedragen
En gleed in zee van onder 't rood-groen kleed.

Toen kwam, dwars door de kim, de blauwe Taag en
de bruine heuvlen weken, hemelsbreed:
Of 't vaderland zijn armen opendeed,
Ons weergekeerden aan zijn hart wou dragen.

Uit Lisboa vlamden geen vreugdevuren.
Een gele vlag woei van de oude vest'.
Geen wimpels zwierden van de leege muren.
Men hield de vloot op stoom, bevreesd voor pest.

Na zeven dagen in de stad gelaten,
Door niemand vergezeld, gingen wij saam
Als geesten overdag door vreemde straten,
Geen juichend volk, geen vrouw wuivend aan 't raam.

Aan 't hof wist niemand meer van onzen naam.
Men kende nauwelijks de nieuwe staten;
De vorst, beheerscht door vrouwen en prelaten,
Bleef koud voor Macao's stichting, Goa's faam.

Ik voelde mij door zeven jaar werk verraden;
Mijn Lusiade had ik grootgebracht
In scheepshol, grot en kluis, bij dag en nacht,
Gered uit brand en schipbreuk als mijn gade.

Om haar te schenken aan het vaderland:
Maar waar de vijand aan de grenzen ligt,
Waar pestilentie heerscht, aarbeving dreigt,
Men 't volk verdrukt, klooster op klooster sticht,
Ketters ombrengt, ontdekkingsroem verzwijgt,
Heeft men slechts hoon veil voor het heldendicht.



Het eeuwige schip



De zee wint invloed door tallooze lekken
Op 't binnenmeer van mijn groen donker hol;
Papyrusdun sleten de eeuwen mijn dekken,
Kortmos omgroeit mijn romp, die als drenkling zwol.

Op mij onttrok zich werelds grootst verleden
Aan de ondergang van mijn verzonken rijk:
Diepzee-netels vreten zijn hardsteenen steden,
Mijn vermolmde masten staan nog gelijk.

De eeuwig wisslende alleen is onveranderd
Als ik, die ontelbare schepen sindsdien
- Nooit een dag gezonken, geen nacht stil verankerd -
Als een geestenstroom voorbij heb gezien.

Lompe karvelen, zwaargebouwde brikken
Zag ik wijken voor 't slank, snelzeilend fregat,
En dit als uitstervende vogel wegschrikken
Voor 't monsterlijk stoomschip, hoogdrijvende stad.

Zijn boeg splijt de breede vloedgolven, terg de
Cyclonen en orkanen met zijn vaart,
Totdat een horde hoogtoornige ijsbergen
Een kern poolkoude vθr zuidlijk bewaart.

Zij lijken, langs den einder rustend, poolvossen,
Maar glijden traag nader, topzwaar van diepen dooi;
De afstand krimpt ... daar wentlen zich blanke kolossen
Op 't stalen gevaarte, uittartende prooi.

't Schip knakt, sloepen kantlen, duizenden verdrinken,
De zon bloedt in bewogen avondzee ...
Ik zag het machtigst rijk in ιιn slag zinken,
Zou ik bekommerd zijn om dit klein wee?

Mij deert geen ramp, mijn dekken bleven koud
Al bevoer ik heete petroleumbronnen;
Ook over de zeeλn ingestorte zonnen
Zeilde ik koel, zeker van mijn behoud.

Mijn wrakke boeg baande zich breeden doortocht
In ijswoestijnen door geen schip bereikt
Groenlandsche gletschers heb ik beoorlogd,
Onder wier drukking een dreadnought bezwijkt.

Hoe onder eigen warmte, onvermoed,
Het eeuwig ijsveld wegsmelt aan mijn zijwand,
Behoud ik als een trotsch genot voorgoed.
'k Was onschendbaar gelukkig, zonder ιιn vijand:

Hechte, staagknagende herinnering,
Door 't woeden van mijn lot niet uitgeroeid.
Hoe vaak ik tot mijn toppen onderging,
Toch is die vonk van vroeger doorgegloeid.

Niet als in 't ruim van Atlantische vrachtboot,
Waar katoen getakeld in ligt geperst,
Vlammelooze brand woedt met smeulende kracht, tot
Het vuur ten trans loeit door het dek dat berst;

Maar als een glimworm, die met dor geduld
Kruipgangen in 't vermolmde romphout boort,
Waarin 't nog hoorbaar tikt als 't noodweer brult,
Dat, als de zee licht, geel naargeestig gloort.

Herinnring aan een vroegre goede haven,
Die nu bedolven ligt en volgeslibd,
En aan een ouden Argonaut, begraven
Onder het puin van zijn vergeten crypt.

Want waar ik koers, kent de oceaan geen kusten.
Nergens kan 't blauw wit schuim slaan op een klip,
Slechts aan den boeg van het trouwvarend schip.
En 't is, of zij zoo beter kan berusten

In 't azuurgewelf, hoogstrakgespannen.
Zelfs haar werd deze eenzaamheid te machtig.
De zee dankt mij, dat ik mij houd verbannen
In 't wijd gebied, en liefkoost mij stormachtig.

Haar grondeloos gemoed heb ik doorvoeld,
Tot in de golflijnen der zachte trilling,
Die als een snikken door haar diepten woelt
Na de hartstochtelijkste krachtversplilling.

'k Ben een smal vaartuig, murw en diepverkleumd;
Mij streelt het grootst, wulpscht wezen der natuur.
Oneindigheid is 't, die in den maalstroom dreunt.
Zee kent geen grenzen, geen Chineeschen muur.

Waar aardbewoners wandlen in een landschap,
Hun liefde doen leunen aan bemoste ruοnes,
Omhelst mijn leest de torando vol gramschap
En dompel ik onder in dondrende lawines.

Ontelbare malen gekust is mijn karkas
In driften, die ik diepliggend doorvoer,
Wild koortsig koersend, willoos zonder roer;
Maar als een roerdomp in dompig moeras

Droefgeestig roept naar hooggelegen nest,
Heb ik soms om mijn goede haven gesteund.
De golfstroom heeft zich om mijn kreet bekreund:
Tot de vergetelheid van nieuwen tocht geprest.

Ik raak verzoend met 't zwijmlend, tuimlend dolen.
Poolcirkel noch keerkring noch evenaar
Bestaan voor mij, dol vaartuig, levend naar
Een landverloren tijd, de zee bevolen,

Welhaast almachtig over de planeet.
Diepondermijnde, aangevreten continenten
Zijn niet dan achtergebleven fragmenten
Van 't paradijs, dat in de afgrond gleed.

Waar zenithmetingen mijn tocht niet meer versperren
Vergeet ik de zon, die door een hemel dwaalt,
Noch zie ik op naar de verstrooide sterren
Van 't hemelrijk, dat uit de diepzee straalt.

Van schaamle scheppingswondren vermoeid
Vind ik daar diepbevredigde verrukking.
Wat starre aardkorst doemde tot mislukking
Staat hier tot monsterachtig schoon volbloeid,

Zich onder 't zwaar smaragdgewelf verbergend
Om niet te storen harmonie der sferen.
Heimwee zou 't hart der zaligen verteren
Bij 't zien dier weelde, aarde en hemel tergend.

Oceaniλrs wonen er in zachte wouden,
Waar zij zich zwevend welven en omstrenglen,
Door verregaande trilling voeling houden,
Eeuwig genietend, zuivere zinnenenglen.

Over den rand der onderzeesche atollen
Staan groote roode anemonekelken,
Doelloze, fraaigewelfde parasollen,
Die welbehaaglijk wieglen, nooit verwelken.

De groei der bodembosschen is despotisch
Als 't oerwoud aan den Amazone-oorsprong,
Een tooverland, verheimlijkt en exotisch,
Waar peillood noch ontdekkingsreis in doordrong.

't Licht is veelkleurig speelziek, als gemengd
Uit avondrood tot violet verteederd,
De hevig gele gloed die prariλn zengt
En 't poollicht, bovenaardsch groot pauwgevedert'.

Ik hoor ontkiemende koraaleilanden
Klimmen met een zacht-knetterend geluid,
Over den ondergang der vastelanden
Doodsklokken, diep en lang vooruitgeluid,

Zondvloed verkondigend die komen moet.
Moeras-, ijs-, rotstijd, alle gaan voorbij.
Eens springt de dorre maan in hoogen gloed
En zee omsluit de aarde in zwellend tij;

Het poolijs smelt, de waatren brullen, wassen,
Storten zich in vuurmonden van vulkanen,
't Heet hart der aarde blusschend; volkenrassen
Lossen zich op in lange karavanen

Om neer te slaan op de verre bergplateau's
Waar lava nooit-gedooid graniet doorzengt,
Bergstortingen, wolkbreuk en waterhoos
Met aarde en levensvuur ten onder brengt,

't Uitschreeuwend voor 't begin der lange stilte,
Die golfgeklots slechts opneemt in haar orde,
Waar, onder wolke- en windeloze kilte,
Grauwgroene heuvlen alle einders vordren,

En ιιn dwaalster zijn banen blijft begaan,
Licht door den lagen loden schemer zwevend:
't Schip, de eeuwige bloesem van de oceaan,
Vulkanen, flora, fauna overlevend.



De voorteekenen


Witte ijsvogels wiegen
Zich op zee en twijgen dichtbij.
Zij wijst ze en roept ze met helle
Bekoringsstem:"Zij voorspellen
Geluk!"
Maar ik zie verder: van het bergenjuk
Komt een donkere stip neersnellen,
Een zwarte vogel voegt zich er bij.



Ultra mare


Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en aschgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?



De albatros


De wereld moe, voor vreugd te oud geworden,
Liet ik mij op den Westendwinddrift drijven
Van al wat op de aarde bloeide en dorde,
Alleen de golven eeuwge bloesems blijven.

Ten Zuiden van de Hoop- en Stormkaap
Hindert geen kust, geen klip mijn stille vaart,
Waar de albatros ook op zijn wieken slaapt,
Boven den storm, door sterren aangestaard.

De wolkenhorden, langgerekte baren
Omgorden een heelal, ledig en grauw.
De onzichtbre wind, de diepten openbaren
Mij meer geheimen, dan de diepste vrouw.



Lof der stoomvaart


Voorgoed is 't zacht, sierlijk gebogen hout
Geweken voor het harde en stijve staal;
Zeilschepen zijn nu schimmen uit een oud
En vaak gedaan, nu gansch vergaan verhaal.

Stoommonsters stevenen op alle zeeλn,
Geschuwd door de enkle zwartverweerde brik
Die alleen overbleef om eens ons tweeλn
Te varen naar het eiland van geluk.



Brieven op zee


Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.

Tussen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water



Verzadiging


De lange achtermiddagen aan boord
Waarin de zon op vale golven gloort,
Tusschen de wolken uit, of door een lek
In 't hemeldak licht droop op 't gore dek.

De lege achtermiddagen aan boord
Waarin de zon, door een gesloten poort,
Tusschen de spleet in 't saaien kooigordijn
Op een portret valt als een streep karmijn.

Dra wordt de lucht in de bedompte hut
Duf door de eigen adem als men dut
En toch het verre slaan der glazen hoort,
De stille achtermiddagen aan boord.

Des nachts op wacht ziet men de sterren schijnen
En kan men soms met andre schepen seinen,
De blik wordt aangetrokken door een koord,
De lange achtermiddagen aan boord.

Een slingrend koord, men moet er niet aan denken
Het leven dat ons kwelt, een dag te schenken,
En toch gaan de gedachten met dat koord
Mee op en neer, de middagen aan boord.



Dit eiland


Voor de zachtmoedigen, verdrukten,
Tot geregelde arbeid onwilligen,
Voor de met moedwil msilukten
En de groots onverschilligen,

De reine roekeloozen,
Door het kalm leven verworpen,
Die boven steden en dorpen
de woestijnen verkozen,

Die zonder een zegekrans
Streden verloren slagen
En 't liefst met hun fiere lans
De wankelste tronen schragen;

Voor allen, omgekomen
Door hun dιdain voor profijt,
Slechts beheerscht door hun dromen,
De spot der bezitters ten spijt,

Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts 't azuur als gezag.

Wie nadert met goede bedoeling:
Handel lust of bekeering,
Worst geweerd aan 'rif door bezwering
Of in 't atol door onderspoeling.

Oovral op aard heerscht orde,
Men late mijn eiland met rust;
't Blijft woest, zal niet anders worden
Zoolang ik kampeer op zijn kust.



Mandalika


Hier is geen ander gehoor dan 't verre gebrul van de branding,
Het droge geritsel der hooge pandanen,
Geen andre beweging dan 't wuiven der blaren
En 't loome deinen der golven.
Als 't leven op aarde opnieuw moest beginnen,
Zou het niet zuiver blijven, alleen op dit eenzame eiland?



Camões


Camoλs wou vrij zijn, smaadde zich een keten,
Zwierf in China, maar schreef de Lusiade,
Zijn leven lang door 't heldenlied bezeten,
Het was een dwangarbeid en toch genade.

Soms vluchtend, soms gekerkerd, soms vergeten,
Aan 's levens eind ook door den roem verraden,
Stierf hij in 't pesthuis, eenzaam zonder eten.
Gij martelt mannen, Muze, nooit verzade!

Vergeet toch niet dit afschrikwekkend voorbeeld,
Voordat ge uzelf tot 't zelfde lot veroordeelt:
Het sterkste droombeeld zwicht voor armoe, leed...

't Is al gebeurd, 't gedicht is al begonnen,
En voortaan werkt ge of ge tranen zweet,
Totdat het bloed in de aadren is geronnen.



Jeugdherinnering


Dit was mijn eerste visie op de tropen:
Een gladde plaat boven de schoorsteenmantel,
Waarop, om lange palm, laag bladgekantel,
Een tijger sloop, de ogen bloedbeloopen.

Daarvoor, 'n Chinees in geel kleed op 'n theebus,
Met plat gezicht, hangsnor en scheeve oogen;
Op 't deksel stond een onoplosbre rebus:
Karakters van onmetelijk vermogen.

Daar staarde ik op en voelde mij rampzalig;
Chinees en palmboom deden mij wegdroomen
Naar verre landen, meer dan Verne-boeken.

't Ouderlijk huis was soms zoo duf en stug.
'k Wist niet dat ik heusch wel in de Oost zou komen
En even hard mijn lot er zou vervloeken.



Voorgevoel


't Is mij te moede als werd ik weer een kind
Dat nog niet spreken kan, begint te staamlen,
Dat vindt van moeder, menschen, dieren, wind
De stemmen even vreemd en eensgezind,
En door elkaar de klanken gaat verzaamlen.

Hoe heerlijk, nog te weten van geen woorden
Die zinnen worden en die weer gesprekken,
Bijvoorbeeld denken: een groen bosch heet Noorden,
Iets anders groots en groens heet zee, en moorden
Zijn zwarte dingen die men moet ontdekken.

De woorden hebben klank en kleur en glans,
Zij komen op en willen gaan bewegen;
Vaak is een stroef, een ander norsch, verlegen,
Maar als ik fluister dat ik nog niet regen
Van rag kan onderscheiden, zien zij kans
Op liedren die lang hebben stilgelegen,
Bijna verstandig waren doodgezwegen.



Volkswijze



Mager paardje, jaag maar:
De steppe is eindeloos breed,
De vliegen steken in je flanken,
De steenen je zeere hoeven,
Je mag nooit stilstaan en drinken
En de zon is zoo hard en zoo heet.

Smal scheepje, vaar maar:
Eindeloos is de zee,
Al trillen je moede masten,
Al heb je te zware lasten.
Toch mag je in geen haven rusten
En aan 't einde van de reis moet je ankren,
Ergens ver buiten de ree.

Arm hartje, klaag maar:
De liefde is eindeloos wreed,
Je krijgt haar niet en haat ze
Of je krijgt haar wel en dan gaat ze
Toch later weer weg en verlaat ze
Het hartje dat haar beminde;
Nooit komt er een eind aan het leed.



In Nederland...


In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: "Hij is mislukt."
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen ...
Daar lopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.



Nieuwjaarsboutade


Wie in dezen tijd nog gedichten schrijft
En zich richten wil tot een volk dat kijft,
Tot een volk dat niets dan welvaart wil
En bewilliging van iedre modegril,
Hij is meer dan rijp voor het gekkenhuis
En de gekken vinden hem ook niet pluis,
En dus moet hij naar een ballingsoord,
Waar papier en pennen zijn behekst,
Waar de kale muur siert de bijbeltekst:
(Slechts) In den beginne was het Woord.



De burgers


Zij wonen in hun dorpen en hun steden.
Zij doen voor bed, na tafel hun gebeden.
Zij denken dat zij leven daar zij aten,
Elkaar plichtmatig tweemaal 's weeks bezaten.

Des avonds om de ronde tafel praten
Ze over de oogst op de akkers en de afwezigen,
Gaan 's Zondags groetend door de strakke straten,
Zijn Maandags weer in hun bedrijven bezig.

Broeiende drift, door God, voorzichtig kweeker,
Met kracht geknot en in de kiem bedorven,
Maakt hun gebaar en houding laf, onzeker;
Het "vreest den Heer" staat in 't gelaat gekorven.

Soms is 't een zomernacht een man te machtig,
Hij prangt zijn dienstmaagd in stikdonkre schuur,
En is zijn leven lang om dit eene uur
Een angstig beest, zijn zonde staag indachtig.

Komen zijn medemenschen het te weten,
Dat hij wat zij niet durfden heeft gedaan,
Het wordt hem niet in 't openbaar verweten,
In stilte knagen zij aan zijn bestaan.

Hij wordt niet meer gebrandmerkt of gesteenigd,
Geklemd in 't blok, genageld aan den paal:
De laffen tegen 't zwarte schaap vereenigd
Houden hem steeds in angst voor het schandaal

Hij wordt door de gemeente uitgestooten
En gaat gebukt onder den dubblen last
Dat hij eens nam en verder heeft gevast
En toch hun kring steeds voor hem blijft gesloten.

Soms trekt een fiere zwerver norsch en nukkig
Door 't levenloos gebied, zijn tred verhaast;
Verdwaald voelt hij zich waar 't valsch, ongelukkig
Leven zijn lot van twee straatkanten naast.

Zij zien hem door hun blauwbehorde ramen
Meewarig trekken: die hoort nergens thuis.
Hij slentert door de straat en leest hun namen
En denkt: zij zitten levenslang in huis.

En ongemerkt komt hij langs 't volle kerkhof,
Daar liggen ze ook geordend op een rij
En even roerloos onder zode en zerk of
Zij lagen onder peul en beddesprei.

En eindlijk als hij weer door 't veld kan gaan,
Begroeten broederlijk hem de avondwinden;
Terwijl hij reist bij 't wassen van de maan,
Sluit men daarginds de deuren en de blinden.

Zij liggen al in hun loodzwaren slaap,
Gekweld door droomen daaglijks onderdrukt,
Terwijl hij stilstaat op de steilste kaap,
Door hemelhooge en ijle klaart' verrukt.

No comments: